skip to Main Content

Jet Nieuwenhuizen-Koolhaas (1920) Aalst/Andel

Het echtpaar is Jet koolhaas en Pe Nieuwenhuizen.

Het echtpaar Jet koolhaas en Pe Nieuwenhuizen.

In de winter van 1944/1945 lag Andel in de frontlinie. Er waren tijdens een bombardement al verschillende mensen in het dorp omgekomen. Op last van de bezettende macht werd besloten het benedeneind van Andel te evacueren, het boveneind van het dorp mocht thuisblijven. Ook de bakker mocht blijven zitten om voor de Duitsers te zorgen.  Vanuit Andel moesten de evacués naar de gemeente Hennaarderadeel in Friesland, maar de boeren met vee mochten in de omgeving onderdak zoeken.

Aan de Burgemeester Van de Schansstraat woonde in een grote boerderij de familie Nieuwenhuizen, Vader, moeder, een dochter en twee zoons, Jan en Pe. Pe was in mei 1944 getrouwd met Jet Koolhaas uit Aalst. Hij had haar leren kennen toen hij met zijn dorsmachine in de Bommelerwaard loonwerk ging doen. Jet en Pe woonden aan de ene kant van de boerderij, de rest van de familie aan de andere kant. Jet vertelde dat in de zomer van 1944 het schieten al begon:

Jet Nieuwenhuizen-Koolhaas in 2018

“In de Maas lagen de schepen die door de geallieerden beschoten werden. Achter het huis lag een boomgaard, daar vluchtten we dan naar toe, er was een buurman die kwam dan roepen: “kom achteruit, achteruit”, we liepen dan het gevaar tegemoet, want de vliegtuigen kwamen daarover om de schepen in de Maas te beschieten. We kropen meestal in een droge sloot om ons te beschermen. Toen kregen we 12 januari 1945 het bevel om te evacueren, want het was te gevaarlijk hier. Ik heb Pe nog nooit zo hard zien huilen. Nou, dat was wat dat evacueren. Veel inwoners gingen naar Friesland. Wij deden dat niet. Voor het vee zou gezorgd worden. De kalveren werden uit het hok gedaan en lieten we los lopen in de stal. Toch namen we nog zeven koeien mee, Ik heb er twee met de leidsels onderweg aan de hand gehouden, met mijn dikke buik, want ik was inmiddels zes maanden zwanger. We hadden wel een bandenwagen volgeladen met de voornaamste dingen die we nodig zouden kunnen hebben.

Afvoer bewijs van de gemeente Andel.

Afvoer bewijs van de gemeente Andel.

Mijn Zus Anna kwam nog zeggen: “je mag van moe niet weg, je moet naar Aalst komen”, maar dat deden we niet want we dachten dat zij ook weg moesten omdat Aalst ook langs de Maas lag.

Behalve Jet en Pe, gingen ook de ouders van Pe mee, en zijn zus Cor en broer Jan. Ook de verloofde van Jan, Teun Smokers met haar ouders vergezelden de stoet op weg naar het noorden. We zijn in Brakel overgevaren.

Aan de overkant van de Waal, in de stoep richting Leerdam stond een boerderij, daar woonden kennissen van ons, daar zouden we kunnen blijven, maar dat kon niet omdat ook zij weg moesten omdat het ook daar te gevaarlijk was. We zijn daar wel één nacht gebleven.

De volgende dag is Pe met zijn fiets naar Zijderveld gegaan om te vragen of we bij de familie Bronkhorst terecht konden. We kenden de familie omdat Wim Bronkhorst in Andel hoofd van de school was. Ook Arie Bronkhorst zat op die school en was bevriend met de broer van Jet, Gerrit. Die twee waren altijd aan het strijden wie met studeren nummer één zou worden. Ook Jans Bronkhorst kwam geregeld logeren in Andel.

De boerderij van de familie Bronkhorst aan de Zijderveldse Hoek.

De boerderij van de familie Bronkhorst aan de Zijderveldse Hoek

In Zijderveld aangekomen kon de familie Smokers, Kees Vos, Jan en Cor en de vader en moeder van Pe in een huis terecht net over het Zijderveldse heultje aan de rechtse kant. Pe en ik gingen naar de boerderij van de familie Bronkhorst op de Hoek. We huilden wat af toen we aankwamen. We hadden in geen dagen middageten op. Maar moeder Neeltje Bronkhorst had voor ons hete bliksem gekookt, het was een koningsmaal, Moeder Bronkhorst was weduwe en had aan het begin van de oorlog al een zoon verloren. De boerderij werd gerund door de zoons Nico, Adriaan en Bas en dochter Jans hielp mee in het huishouden.

We zijn daar drie maanden gebleven en hielpen mee op de boerderij en in het huishouden. Er werd ook kaas en boter gemaakt, ik mocht dan af en toe wel eens kazen omdraaien.

Ik deed ook meestal ’s morgens de stoep. We hebben ons best vermaakt, er werd gezongen, spelletjes gedaan en gingen ’s zondags met z’n allen naar de kerk. We zagen nooit een soldaat, het was net of het geen oorlog was. Het leven rolde daar genoeglijk voort. Er was vaak aanloop. De vrijgezelle buurman Henk van Dijk kwam elke avond langs. En zei dan “evacués, houd er over op, ze hebben de beste plek in huis”. Wij kregen inderdaad de hele zolder tot onze beschikking, daar konden we onze spullen kwijt. Pe ging af en toe op de fiets naar Andel naar zijn dorsmachine, hij bleef dan onderweg in Aalst bij mijn familie slapen.

Om over te varen van Veen naar Aalst had je papieren nodig, die hij niet bij zich had. Met zijn geamputeerde arm (door een ongeval met de dorsmachine), ging hij dan wat in zijn jas staan rommelen alsof hij die papieren eruit wilde halen! De Duitsers hadden dan toen toch wellicht medelijden met hem en zeiden zonder dat ze de papieren echt gezien hadden dat hij wel door kon gaan, het was wel goed!”

Omdat Jet zwanger was kwam de Schoonrewoerdse dokter Westenburg bij haar kijken. Jans Bronkhorst weet nog te herinneren dat Jet bij het eerste gesprek niet durfde en in de schuur was weggekropen. De dokter vroeg zich af “hoe oud is dat Jetje?‟ Aan de hand van Pe kwam ze naar de dokter toe. De bevalling zou op zolder van de familie Bronkhorst plaatsvinden. Van de burgemeester uit Almkerk, die een week of vier in Andel geëvacueerd was geweest, hadden ze een wieg gekregen. Op 17 april werd Jannie geboren.

“De drie zonen van Bronkhorst kwamen met de carbidlantaarn naar zolder om de kleine te bekijken. ”O, wat is het toch een lief dingie”, zeiden de jongens, maar ik dacht “dadelijk vliegt het spul in de brand en dan is het geen dingie meer”. We konden ’s woensdags naar huis en op dinsdag is het kind geboren, ik dacht: ”had ik het toch maar op kunnen houden”. Een dag na de geboorte ging Pe met de bandenwagen al een keer naar huis om wat spullen terug te brengen. Een dag of vier later werd in Leerdam een tentwagen gehuurd, met boter, tarwe en melk werd dat betaald. In de tentwagen werd het bed gezet, ik erin, Jannie erin en zo ging het op Zaltbommel aan. Toen kwamen we bij kennissen in Waardenburg aan, daar hebben we de hele dag gewacht, want de brug lag onder spervuur, we mochten de brug niet over, het was te gevaarlijk. We hebben daar de dag doorgebracht, De mensen waren daar hartelijk en vriendelijk, we kregen brood en van alles. We hadden daar beddenkussens op de grond gelegd, daar lag Jannie, dat was haar slaapplaatsje, toen ik ze moest voeden, deed ik het dekje omhoog en sprong er een muis onderuit, dat vergeet ik ook nooit. Maar we moesten ’s avonds weer terug, we mochten niet over. Daar komen we midden in de nacht weer in Zijderveld aan en kwamen de buren weer helpen. Moeder Bronkhorst riep: “waar is het kind?” en ze nam het kind mee in bed om het weer op temperatuur te brengen. Ik was zo ver weg dat ik helemaal niet meer wist dat ik een kind had. Afijn, ik heb ze naar binnen gebracht en mee in bed genomen, het kind was onderkoeld natuurlijk, tenminste dat dachten we, we hadden niets om te bewijzen. Maar ze heeft er niets mee geleden.

De tiende dag zijn we weer met paard en tentwagen en het vee op pad gegaan, toen over Gorinchem. De familie Smokers en mijn schoonouders waren toen al vertrokken. Toen we in Gorinchem bij het veer aankwamen om over te varen, stond het vol met Duitsers, wij kwamen niet in aanmerking om over te varen. Pe ging naar een Duitser en vertelde dat hij een kranke vrouw had en vroeg of ze mee mochten. Dat gebeurde.

Toen we midden op de Merwede voeren, kwam er een lichtkogel boven met een Engels vliegtuig, toen heb ik echt de dood voor ogen gezien. Ik dacht “dat brengen we er nooit levend af, die gooien dadelijk een bom”, want het waren allemaal Duitsers. Maar dat is Gode zij dank niet gebeurd. Toen kwamen we ’s nachts om drie uur in Andel aan. Daar zat Teuntje Vos en mijn zus Anna te wachten, ze hadden de kachel wat opgestookt en wat opgeruimd, want het was een bende.

De as lag in de voorkamer een meter hoog, want ze stookten daar met de kachelpijp door het raam. Het was een verschrikkelijke troep. Toen zijn we gaan huilen, als ik ophield begon Anna te huilen en als Anna ophield begon ik weer. De volgende dag moesten we puin gaan ruimen, maar we hadden geen schop en geen riek, al het materiaal was uit de schuur. We hadden totaal niks meer, dat hadden ze allemaal meegenomen. En als de Duitsers het niet meenamen dan deden de mensen uit het dorp het wel. Dat gebeurde ook, ik zag mijn sprei die ik ooit gehaakt had aan de andere kant van het dorp aan een waslijn hangen, maar ik durfde niet te zeggen dat het mijn sprei was. Het servies wat we voor de evacuatie onder de grond hadden verstopt is jaren later pas weer gevonden toen de akker achter het huis werd omgeploegd.”

Zo snelden de jaren voort en werden in het gezin van Jet en Pe nog drie dochters: Nettie, Ada en Ans en een zoon Harrie geboren. Na de ruilverkaveling ging broer Jan met zijn veebedrijf naar de polder en bleef Pe als akkerbouwer in het dorp. Hij had ook een loonbedrijf met Roel Schmit en Gert de Waal in loondienst. Behalve met de akkerbouwproducten werd ook met de combine de kost verdiend.

De familie Koolhaas uit Aalst, tijdens het 25 jarig huwelijk op 29 maart 1942. Linksboven Jet Koolhaas, met naast haar Jaantje en Corrie. Zittend v.l.n.r. Anna, vader Gerhardus Koolhaas en moeder Nesia Koolhaas-van Os en broer Gerrit.

De familie Koolhaas uit Aalst, tijdens het 25 jarig huwelijk op 29 maart 1942. Linksboven Jet Koolhaas, met naast haar Jaantje en Corrie. Zittend v.l.n.r. Anna, vader Gerhardus Koolhaas en moeder Nesia Koolhaas-van Os en broer Gerrit (bron: Stichting De Vier Heerlijkheden).

Interviewer: Ap de With. Jet Nieuwenhuizen-Koolhaas heeft mij dit verhaal verteld en ik heb het hier en daar bewerkt.

 

Jet Nieuwenhuizen-Koolhaas (1920) Aalst/Andel
Back To Top