skip to Main Content

Verhalen van Joke van Wijgerden (1933) Brakel

Een herinnering aan Kerstavond 1944

door Joke van Wijgerden (op bijgaande foto 10 jaar en 80 jaar oud)

Joke van WijgerdenHet was oorlog. Het was al bijna Kerstmis.
Kerstbomen, kaarslicht of lampjes en lichtjes buiten in de boom of langs het huis, die waren er toen niet. Had ooit iemand er van gehoord? Ik zeker niet in die tijd, ik was een kind van elf jaar.
Alles was donker. Er was geen straatverlichting en binnen stond er bij veel mensen op de tafel een glas met olie, met daarin een soort stukje katoen dat aangestoken werd , een drijvertje noemde men dat, het verspreidde heel weinig licht.
Bij sommige mensen hing nog een olielamp aan de zolder, die werd zo laag mogelijk gedraaid , dan was de olie niet zo gauw op. Ook hier kon men weinig bij zien.
Kerstsfeer was ver te zoeken toentertijd.

In het anders zo rustige dorp tussen de Waal en de Maas was het druk geworden. Overal , bij alle huizen, stonden Duitse legerwagens.
Bijna in elk huis waren Duitse soldaten ingekwartierd.
Ook waren er veel mensen van over de sluis uit Brabant gekomen. Ze waren van huis en haard verdreven. Het was gevaarlijk langs de Maas. Ten zuiden van de Maas waren ze al bevrijd, de Maas was de frontlinie geworden. Ook deze mensen moesten ondergebracht worden in het dorp.
In een zaaltje, midden in het dorp, vierden de Duitse soldaten Kerstfeest. Met veel drank en veel gezang. Weihnachten vieren , zo noemden zij dat. Nog één avond was hun een feest gegund. De volgende dag moesten ze naar het front aan de Maas vertrekken, ze moesten de Maas gaan verdedigen , de bevrijders tegenhouden.
Het lawaai van het feest klonk door de donkere decemberavond.
Heel hoog in de lucht ronkten de vliegtuigen. Die waren weer op weg om ergens in Duitsland bommen te werpen.
Het afweergeschut begon gelukkig niet te schieten. De vliegtuigen vlogen nogal hoog. Of misschien waren alle soldaten op het Weihnachtsfeest, ook de soldaten van het afweergeschut?

In één van de kleine huizen aan de rand van het dorp, daar was het stil en rustig.
Moeder probeerde nog een kous te stoppen bij het schaarse licht van de petroleumlamp boven de tafel.
Vader damde een potje met zijn zoon. Ik tekende met een stompje potlood op de achterkant van een veilingbriefje, kleurtjes had ik niet.
Naast de kachel in de oude leunstoel zat een jongen van een jaar of achttien. Hij probeerde bij het schijnsel van het vuur van de kachel, dat door het onderdeurtje naar buiten scheen, een beetje te lezen.
Het was maar een klein boekje waarin hij las, het was een Bijbeltje.
In het Bijbeltje lagen twee foto’s, die gebruikte hij als bladwijzer. Maar telkens bekeek hij de foto’s en wreef er met zijn wijsvinger overheen.
Deze jongen, achter de potkachel, hij heette Karl. Het was een Duitse soldaat.
Hij was niet naar de Weihnachtsfeesten gegaan. De andere soldaten, die ook op de zolder sliepen wel. Ze hadden nog gevraagd of hij meeging.
,,Nein,” had hij gezegd. ,,Ich gehe nicht mit.”
Hij ging niet mee. Hij had er geen zin in. Hij was zoals elke avond in het hoekje achter de kachel gekropen.
Moeder dacht : Alles lijkt zo vredig. In zekere zin is het dat ook. Maar achter de kachel zit een Duitse soldaat. En straks komen de andere soldaten terug als hun Kerstfeest voorbij is. Ze horen hier niet, maar ze zijn er wel.
De kinderen kunnen niet naar school, want de Duitsers hebben de school in gebruik genomen. Ze hebben er bedden in gezet. Elke dag weer komen er gewonde soldaten bij. Hoe lang gaat deze oorlog nog duren? Het duurt nu al bijna vijf jaar.
Hier in hun dorp hadden ze nog wel te eten, maar in de steden daar leden de mensen honger. Elke dag weer stierven er mensen door gebrek aan eten.
Ze keek opzij naar de jongen achter de kachel.
Elke avond zat hij daar. Ze hadden er geen last van, hij zei weinig en deed geen kwaad, maar hij hoorde er niet.
Kijk nou, wat deed de jongen nu?
Druppels van tranen kwamen uit zijn ogen en liepen langs zijn wangen. Hij probeerde ze met de mouw van zijn jasje weg te wrijven. Het Bijbeltje viel uit zijn handen, de foto’s vielen op de vloer.
Hij probeerde het weer op te rapen. Hij begon nog harder te huilen. Eerst huilde hij zonder geluid, dan begon hij heel hard en gierde hij het uit.
Moeder dacht: Laat hem maar huilen, hij heeft het moeilijk. Hij heeft heimwee naar huis. Hij heeft nu al zo lang zijn vader en moeder niet gezien en zijn zusje ook niet. Elke dag vertelt hij dat weer.
Hij is 18 jaar, hij kan er ook niks aan doen dat het oorlog is. Hij haat die oorlog net zo als iedereen die oorlog haat.
Vader vroeg zo goed en kwaad als hij kon in het Duits :
,, Waarom huil je Karl? Kunnen we je ergens mee helpen?”
Karl antwoordde in het Duits : ,, De andere jongens zijn naar het Kerstfeest., naar de Weinachten. Het is het laatste kerstfeest. Straks komen ze terug en morgen moeten we hier weg, we moeten naar het front. Ze zullen ons allemaal dood schieten .Wat kunnen we nou nog doen? We kunnen de oorlog toch niet meer winnen.”
Hij snikte weer.
Vader zei : ,, Ja jongen, ik ben er ook bang voor.”
Karl begon weer te huilen. Hij zei : ,, Ik wil niet naar het front. Ik wil niet dood. Ik wil naar huis, naar mijn ouders en mijn zusje.
Kunt u mij hier niet verstoppen? Op zolder misschien, achter de rommel op de achterzolder? Of in de kelder, achter de aardappelen?
Ik ben zo bang….oh, wat ben ik bang.”
Moeder zuchtte : Hij is nog zo jong. Natuurlijk wil hij niet dood.
Een Duitser zit bij haar achter de kachel. Het is hun vijand. Staat er niet ergens geschreven : hebt uw vijanden lief? Hoe moet je dit waar maken?
Hoe kun je zo’n huilend kind, ja het is echt nog een kind , als je vijand beschouwen?
Ze zei: ,, Karl , wij kunnen je niet verstoppen. Ze zullen je komen zoeken en ze zullen je altijd vinden. Jij mag geen dienstweigeraar zijn en wij mogen je daarin niet helpen. Ze zullen ons allemaal neerschieten , jou en ook ons.”
Vader zei: ,, Wat moeder zegt is waar Karl. Ik wou dat ik je kon helpen, maar ons huis is veel te klein , er is nergens een goede schuilplaats te vinden.’’
Karl zat daarna nog heel lang stilletjes achter de kachel . Hij probeerde zijn tranen te onderdrukken. Hij liet de foto’s weer zien.
Hij zei: ,, Kijk, dit zijn mijn vader en mijn moeder, en dit ben ik met mijn zusje. We zijn een tweeling.”
Hij zuchtte : Zullen ze nog leven ? Misschien zijn de bommen ook wel op hen gevallen. Misschien zijn ze al lang wel dood.
Moeder zuchtte ook weer : Die oorlog , waar is het goed voor? Karl zit hier achter de kachel en huilt . Die andere jongens drinken zich misschien dronken om hun angst weg te spoelen. Hoe moet je zo’n jongen verstoppen? Het is niet te doen.
Een poosje later werd het stil in huis. Iedereen was naar bed gegaan.
Vader en moeder en de kinderen met zijn allen in het kleine opkamertje .
De Duitsers naar de achterzolder. Ze lagen daar op stro.
Moeder hoorde nog lang het stro kraken. Ze dacht:
dat is Karl , hij kan niet slapen. Arme jongen , hij is zo bang en zo verdrietig……

De volgende dag was het een drukte van belang in het kleine dorp.
De Duitsers maakten zich klaar om te vertrekken. Ze stelden zich op in de hoofdstraat, die dwars door het dorp liep.
De Duitse jongens in het kleine huisje hadden zich ook klaar gemaakt voor vertrek.
Karl gaf iedereen een hand. Hij zei : ,, Wiederseen, danke schön.”
Moeder kreeg tranen in haar ogen en dacht : tot ziens zegt hij , maar dat zal wel niet zijn. Het spijt me Karl.
Even later kwamen ze langs . Karl zat achterop de legerwagen.
Hij zag spierwit van de doorwaakte nacht. Hij zwaaide nog .
Moeder liep naar binnen. Ze kon het niet aanzien.
Ze dacht : daar gaan ze , de moffen, dat moest ze toch eigenlijk zeggen. Maar de meeste zijn nog kinderen , die de dood worden ingejaagd. Kinderen van ouders die thuis ook verdrietig zijn……

Het werd een paar dagen heel rustig in het dorp.
De Duitsers waren vertrokken en de meeste mensen van over de Maas waren ook weer verder getrokken , sommigen zelfs helemaal naar Friesland.
Na een paar dagen kwamen er gewonde soldaten naar de school. De school was ingericht als hospitaal.
Ik was samen met een vriendinnetje stiekem gaan kijken. We waren op de brede dorpel van het schoolraam geklommen en had door het raam gegluurd .We hadden ook nog gekeken wie er in de legerwagens lagen, die het dorp binnen reden.
Karl was nergens te bekennen.
Hij was niet teruggekomen, ook niet gewond.


Steven

Moeder en Steven

In de laatste Oorlogswinter waren er veel Duitse soldaten in ons dorp Brakel.
Ook bij ons stond een grote vrachtauto op den dam en waren er drie soldaten ingekwartierd. We konden niet naar school, want onze school was een soort ziekenhuis geworden van de Duitsers.
Maar ik als meisje van elf jaar vond dat niet zo erg.
Wij hadden veel vriendinnetjes, kinderen uit Rotterdam en uit Zaltbommel en van over de Maas. Die waren ook allemaal in ons dorp.
Die Duitse soldaten sliepen bij ons op de achterzolder, zomaar op stro.
Ik vond het wel griezelig , want als mijn zusje en ik ’s avonds naar bed moesten op de voorzolder, dan moesten wij over die achterzolder heen.
Toen heeft mijn vader ons bed beneden in het opkamertje gezet.
Wij sliepen toen met zijn vijven in dat kleine opkamertje. Mijn vader en moeder in de bedstee , mijn broer in zijn ledikant en ons ledikant kon er nog net bij.
Mijn broer was ouder dan ik, hij kon niet lopen. Hij was spastisch. Hij had wel een erg goed verstand.
’s Morgens moest mijn moeder hem uit bed dragen.
Zij waste en kleedde hem aan op de vloer in de huiskamer.
Daarna zette zij hem in het invalide wagentje. Mijn broer zei altijd : ,, In de kar”.
Op een middag was één van die Duitsers zijn geweer aan het schoonmaken. Hij deed dat zomaar op de tafel in de huiskamer.
Mijn broer zat in zijn wagentje voor het raam en wij waren ook binnen.
Op een gegeven moment richtte de Duitser zijn geweer op mijn broer en riep :
,,Zulke jongens schieten ze in Duitsland ,,kaput”, die zijn waardeloos.”
Mijn vader sprong op en begon met de soldaat te vechten. Hij probeerde het geweer van hem af te pakken. Mijn vader was zo kwaad.
Mijn moeder begon te gillen en ik begon ook te gillen.
Gelukkig liep het goed af. De Duitser wilde alleen maar demonstreren en ons duidelijk maken dat ze in Duitsland zulke gehandicapte kinderen niet willen verzorgen.
Ik vond het wel een angstig moment, ik dacht echt dat hij mijn broer dood wilde schieten.

Schrijfster:
Joke van Wijgerden
(1933, Brakel)

Back To Top